Het lijkt lekker makkelijk dat je kind maar 1 of 2 keer per dag moet plassen, maar normaal is het niet.

Bovendien gaat het meestal samen met moeizaam plassen én kan het de oorzaak zijn van urineverlies en urineweginfecties.

Dus heb je de indruk dat je kind te weinig naar het toilet gaat, hou je dat toch best goed in de gaten.  

Wat is dat nu eigenlijk?

In normale omstandigheden, bij een normale vochtinname* en normale fysieke inspanningen, gaan kinderen 3 tot 8keer per dag plassen.

Minder dan 3 keer plassen is dus te weinig.

*bij kinderen tot 6 jaar 1 liter tussen ontbijt en avondeten; boven de 6 jaar minstens 1,5 liter tussen ontbijt en avondeten

Waarom heeft mijn kind hier last van?

De meest voorkomende oorzaken van (te) weinig gaan plassen zijn:

  • bekkenbodemproblemen

onvoldoende ontspannen van de bekkenbodemspieren bij plassen, duwen om te plassen

ophoudgedrag zowel voor plassen als stoelgang kan ervoor zorgen dat de bekkenbodemspieren overspannen raken en uiteindelijk een luie blaas ontstaat

ook bij angst- of stressgevoelens kunnen de bekkenbodemspieren overmatig worden aangespannen en plas- en stoelgangsproblemen veroorzaken

  • foutief plas- en drinkgedrag

plassen telkens uitstellen, bijvoorbeeld uit schrik om buitenshuis naar toilet te moeten gaan, tot een luie blaas ontstaat met verminderd blaasgevoel en plasdrang

zeer weinig drinken

  • constipatie

bij constipatie of verstopping gaat je kind minder dan 3x per week naar het toilet voor stoelgang

er is sprake van buikkrampen, buikpijn, harde stoelgang, pijn bij persen

  • aangeboren aandoeningen zoals spina bifida (open ruggetje), ruggenmergletsel of hersenletsel

hierbij werkt de blaas niet normaal door een foutieve zenuwaansturing

Wat kan ik zelf doen?

Als je kind zo weinig gaat plassen dat er urineverlies, pijn bij plassen of buikpijnklachten optreden, is het raadzaam om hulp te zoeken.

Je kan sowieso zelf al een aantal dingen doen om het plasprobleem aan te pakken.

Zorg voor een gezond drink-, plas- en stoelgangspatroon:

  • laat je kind voldoende drinken tussen ontbijt en avondeten, minstens 1 liter per dag, liefst water
  • stimuleer je kind om de plas wat langer op te houden, verplicht je kind niet te gaan plassen als het geen plasdrang heeft (blaastraining)
  • zorg dat je kind comfortabel op het toilet zit, voorzie een opstapbankje zodat het met de voeten kan steunen en een kleinere toiletbril zodat de bekkenbodem goed ondersteund is
  • zorg dat je kind regelmatig stoelgang maakt, want een goede darmwerking is van belang voor een goede blaascontrole; vermijd constipatie, ook hiervoor is voldoende bewegen, voldoende drinken en vezelrijke voeding belangrijk

Als je kind ophoudgedrag vertoont voor stoelgang kan je gedurende enkele weken stimuleren dat je kind na elke maaltijd minstens 5 minuten op toilet gaat zitten.

Na het eten worden de darmen namelijk gestimuleerd en is de kans op stoelgang maken groter.

Door het vaste toiletmoment leuk te maken met een boekje of muziek leert je kind de tijd te nemen om stoelgang te maken.

Wat kan je arts doen?

Indien de levensstijladviezen en blaastraining geen effect hebben op de plasklachten, ga je best met je kind langs bij je huisarts of uroloog.

Onderzoeken

De arts zal vragen stellen over de plasklachten, stoelgangsproblemen, pijnklachten,...

Om de oorzaak van het frequent plassen te achterhalen zullen onderzoeken worden uitgevoerd:
(niet noodzakelijk allemaal, afhankelijk van de klachten en de bevindingen)

  • lichamelijk onderzoek
    onderzoek van de buik, uitwendige geslachtsdelen om afwijkingen vast te stellen    
    zoals tekenen van constipatie, afwijkingen van de geslachtsdelen
  • beeldvorming van nieren en blaas
    door middel van echografie (scans worden bij kinderen enkel in uitzonderlijke gevallen uitgevoerd omwille van de straling)

Om de plasproblemen beter in kaart te brengen zijn volgende onderzoeken noodzakelijk:

  • plaskalender
    om het plas-en drinkpatroon te beoordelen   
         ‍
  • uroflowmetrie met echo residu
    om de plasstraal te beoordelen en te kijken of de blaas volledig leeg is na plassen

Afhankelijk van de resultaten van bovenstaande onderzoeken kan het nodig zijn het plasprobleem verder uit te werken met:

  • blaasfunctieonderzoek:
    om de werking van de blaas- en sluitspier tijdens het vullen van de blaas en tijdens plassen te beoordelen
  • cystoscopie:
    om de binnenkant van de plasbuis en blaas te beoordelen
    dit gebeurt bij kinderen onder narcose en wordt enkel uitgevoerd bij specifieke indicaties, zoals vermoeden van meataal vliesje bij meisjes

 

Behandelingen

Urotherapie is uitermate belangrijk bij de behandeling van foutief plas- en drinkgedrag of incorrect gebruik van de bekkenbodemspieren. 

Hierbij wordt via een gerichte en herhaaldelijke begeleiding gewerkt rond:

  • inzicht in hoe de blaas- en bekkenbodemspieren werken
  • bewustwording en verbeteren van drink-, plas- en stoelgangspatroon

Bekkenbodemoefeningen en/of zenuwstimulatie (TENS) kan helpen bij een overspannen bekkenbodem en luie blaas. 


In het geval van een neurogene blaas zoals bij spina bifida is sondage vaak noodzakelijk. 

Dit kan worden uitgevoerd door de ouders, door een zorgverlener of door het kind zelf als het oud genoeg is. 

Volg @plaspraat

// inside body tag